woensdag 3 oktober 2007

Het Vondelgymnasium: een bijzondere school?

[De tekst van de lezing die Katharina Kouwenhoven op 15 september 2007 heeft gehouden op de reunie van het Vondelgymnasium; deze tekst is ook als PDF te vinden op OomJoost's website]

foto: Frans BoomIn 1957, nu vijftig jaar geleden, werd het Vondel¬gymnasium opgericht en in 1957 ging ik voor het eerst naar de middelbare school. Door deze gelukkige samenloop van omstandigheden behoor ik tot de eerste generatie Vondelianen en daardoor tot een bevoorrechte groep, want het Vondelgymnasium wordt door velen beschouwd als een bijzondere school. Over het bijzondere karakter van deze school wil ik het met u hebben vanavond. Want waar is dat gevoel eigenlijk op gebaseerd? Was het Vondelgymnasium in werkelijkheid wel zo'n bijzondere school?

1957-1958Van verschillende kanten is mij gesuggereerd dat het Vondelgymnasium zo bijzonder was, omdat het een typische jaren zestig school was, waar de veranderende tijdgeest - wat dat dan ook moge zijn - maximaal tot bloei kwam en werd genoten. Ik kan daar niet over oordelen, want toen ik op die school zat, moesten de jaren zestig nog beginnen. In mijn tijd was het juist een typische jaren vijftig school. Ga maar na:
  • De gezagsverhoudingen waren er traditioneel autoritair;
  • Er lag veel nadruk op discipline;
  • Voor allerlei vergrijpen werd je gestraft;
  • Er heerste een benepen seksuele moraal;
  • De does and don'ts werden ex autoritate opgelegd en stonden niet ter discussie;
  • De leerlingen werd weinig zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid gegund;
  • In de klassen heerste orde en stilte en je deed alleen je mond open als je iets gevraagd werd;
  • Leraren werden aangesproken met Mijnheer of Mevrouw en niet met Bert, Eddie of Hans. Van de meeste leraren en leraressen kende ik de voornaam niet eens. De school vormde een eigen enclave binnen het grotere maatschappelijke geheel, dat daar praktisch niet in doordrong;
  • Het bespreken van spelende politieke of maatschappelijke problemen was niet aan de orde.

Nu was het Vondel daarin niet uniek, want dit gold in die tijd voor de meeste middelbare scholen of je moest toevallig op de Kees Boekeschool zitten, die door niemand serieus genomen werd. Maar je kunt beslist niet zeggen dat het Vondel haar tijd vooruit was en reeds preludeerde op wat in de jaren zestig gewoon zou worden.

Ook het onderwijs dat er gegeven werd was zeer traditioneel. De leerstof was opgedeeld in vakken, die gedoceerd werden door een vakdocent. En die deden dat allemaal op ongeveer dezelfde manier.
Een taal - of het nu een dode of een levende was - scheen je te moeten leren door de grammaticaregels tot je te nemen en elke dag een lijst woorden in je kop te stampen en dan kwam de rest vanzelf. Dat sommige talen ook bedoeld waren om jezelf in uit te kunnen drukken was kennelijk minder relevant. Zo leerde je van het vreemde talen onderwijs vooral je eigen taal beter beheersen, wat natuurlijk geen slecht resultaat is, maar wel erg eenzijdig.
De leerstof werd opgedeeld in hapklare brokjes, waarvan er elke dag een paar geconsumeerd moesten worden. Pak je agenda en schrijf op: 20 regels Ilias en 20 woorden uit het Rode Boekje.

Op dat gebied gebeurde er dus niets ongewoons. Maria Montessori was een vloek in de kerk en Montessorileerlingen moesten zo snel mogelijk van de ondergang gered worden.Van thematisch onderwijs of projectonderwijs had nog niemand ooit gehoord. Discussies in de klas vonden niet plaats anders dan om te bakkeleien over het opgegeven huiswerk. De manier waarop het onderwijs gegeven werd was per definitie zinvol, want zo werd het altijd gedaan. Daar zat het hem dus allemaal niet in.

Maar wat was het dan wel?
Een opmerkelijk kenmerk van het Vondel in mijn tijd was de gemengde leerlingpopulatie. Aan het eind van de jaren vijftig stroomden opeens massaal - nou ja, relatief natuurlijk - kinderen door naar het middelbaar onderwijs uit milieus, die daar traditioneel geen toegang toe hadden. Als dat niet zo was geweest, had ik hier niet gestaan en had ik waarschijnlijk mijn hele leven op een naaiatelier gewerkt of als werkloze huisvrouw een stuk of wat kinderen aan de drugs zien geraken. Ik heb echter die kans gehad en ik was niet de enige. Op het Vondel trof je zodoende, althans bij de eerste lichting, nogal wat leerlingen uit een zogenaamd arbeidersmilieu. Opvallend daarbij was wel, dat de meeste leerlingen uit Zuid kwamen, het natuurlijke rekruterings¬gebied voor een gymnasium, of uit Amsterdam West of Amstelveen, alsof de leerlingen geselecteerd waren op hun postcode (die toen natuurlijk nog niet bestond). Ik kan me tenminste geen leerlingen herinneren uit de Vrolikstraat of van het Archimedesplantsoen.

Vanzelfsprekend was dit sociale mengelmoesje niet en is het ook nooit geworden. Leraren zowel als leerlingen hadden er allemaal op hun eigen manier moeite mee, zonder dat dat ooit aanleiding is geweest voor openlijke schermutselingen. Ook hierin was het Vondel echter niet uniek. Het was het toenmalige beleid om verborgen talent te rekruteren, want er was een tekort en de 'wederopbouw' was nog lang niet gereed. Het grootste deel van mijn kennissenkring bestaat uit mensen met precies dezelfde achtergrond. Er moet dus nog iets anders geweest zijn.

Voor iedereen die op school gezeten heeft wordt de waardering die hij achteraf voor die school heeft sterk gekleurd door zijn of haar ervaringen met onderwijzers en leraren. Docenten kunnen je het schoolleven tot een hel maken, maar je ook de mooiste tijd van je leven bezorgen. Leren moet je zelf doen, maar of, wat, hoe en hoelang je dat doet, is iets waar docenten veel invloed op uit kunnen oefenen.
Met het lerarencorps van het Vondelgymnasium was wel iets aan de hand. Er werkten namelijk veel jonge, zelfs zeer jonge leraren, die soms nog geen tien jaar ouder waren dan wij. Dat zorgde wel voor een bepaalde sfeer, hoewel wij als leerlingen nauwelijks beseften dat ze zó jong waren. Voor die leraren was de afstand tussen leraar en leerling daardoor misschien niet zo groot, voor een leerling blijft er altijd afstand, want de leraar is boven hem geplaatst. Overigens waren er ook oudere leraren, soms zelfs stokoude, zoals de eerste rector van Paassen die eigenlijk al gepensioneerd was. ‘Een gymnasiast is nooit klaar', was zijn credo. Ik vergeleek dat altijd met het credo dat mijn moeder hanteerde 'nooit met lege handen naar de keuken'. Dergelijke geloofsartikelen moest je vooral niet al te letterlijk nemen.

Maar veel jonge leraren dus. Was dat het wat het Vondel bijzonder maakte?
Vrienden en kennissen van mijn leeftijd verzekerden mij echter dat het op hun school, in Hilversum, in Meppel of in de Achterhoek net zo was. Dat was het gevolg van het feit dat er kort na de oorlog bijna geen onderwijzend personeel was en mensen daarom het onderwijs ingelokt werden met allerlei aantrekkelijke douceurtjes. Ze hoefden niet in militaire dienst, hun studieschuld werd kwijtgescholden en het salaris was niet min. Je kon er tijdens je studie al mee beginnen. En natuurlijk had het lerarenberoep toen nog status.

Belangrijker dan hun leeftijd is natuurlijk of die leraren ook goede leraren waren. Maar wat is een goede leraar? George Bernard Shaw had niet veel op met leraren, gezien zijn uitspraak: "He who can does, he who cannot teaches".
Woody Allen gaat in zijn versie nog een stapje verder: "Wie niets kan wordt leraar en wie dat niet kan wordt gymnastiekleraar".

Maar zo somber ben ik niet. Om maar iets te noemen:
  • Een goede leraar kan, bij wijze van spreken, televisies verkopen aan blinden, een vaardigheid die overigens wel een beetje aan het pathologische grenst.
  • Een goede leraar is zich bewust zijn van het feit dat de school de natuurlijke vijand is van de leerling, ondanks diens aangeboren nieuwsgierigheid en hij weet die vijandschap om te zetten in een bondgenootschap.
  • Leraren en leerlingen zijn tot elkaar veroordeeld. Ze moeten dus maar proberen er samen het beste van te maken.
  • Leerlingen zien leraren echter niet vanzelfsprekend als bondgenoten; daartoe moeten zij eerst hun vertrouwen winnen.
  • Leerlingen waar leraren hoge verwachtingen van hebben, leveren goede prestaties op school. Dat is keer op keer aangetoond. Het vertrouwen dat hiermee al of niet stilzwijgend wordt uitgesproken, wordt door de leerling beloond met wat nodig is om de leraar niet teleur te stellen.
  • Een goede leraar is inspirerend en stimulerend, beheerst zijn stof voor 200% en weet iedere leerling het gevoel te geven dat de lessen speciaal voor hem zijn.
  • Een goede leraar is een entertainer, waarvan je geen presentatie wil missen.

Als je het zo bekijkt waren er op het Vondel goede en minder goede leraren, net als overal. Door menig leraar werd in ieder geval met enthousiasme lesgegeven en dat enthousiasme bleef vaak niet beperkt tot de lessen zelf.

Ook buiten schooltijd werd er veel gedaan. Altijd was er wel iemand die een toneelstuk instudeerde, een avondje cabaret voorbereidde of een muziekuitvoering begeleidde. En de schoolreisjes niet te vergeten.
De mooiste herinneringen heb ik zelf aan een werkweek in Vierhouten, waar we 's ochtends een Griekse tragedie vertaalden, die 's middags probeerde om te zetten in een metrische vertaling en ook nog instudeerden voor een uitvoering in de open lucht. En daarna hebben we nog gezien hoe het echt moest tijdens het Holland Festival in een uitvoering van een Grieks gezelschap. Dat riep bij mij overigens wel de vraag op of niet veel meer van het onderwijs op deze wijze ingericht kon worden. Zo leerde je tenminste nog eens wat.

Een probleem met het lerarencorps op het Vondel was er wel, namelijk een gebrek aan continuïteit; Bijna elk jaar kreeg je voor een bepaald vak een andere leraar. Dit was waarschijnlijk mede het gevolg van al die jonge leraren. Als ze nog studeerden hadden ze maar een kleine aanstellingen en konden bovendien niet meeverhuizen'' naar de hogere klassen, omdat ze daartoe niet bevoegd waren. Ik herinner me wel van vier verschillende docenten oude talen te hebben gehad en van minstens drie wiskunde. Alleen Mijnheer Vink was erbij vanaf het Gilgamesh epos tot en met de hervormingen van 1848. Verder ging de Geschiedenis toen niet. Ik hoop dat het goed met hem gaat.

De situatie op het Vondel verschilde op genoemde punten dus niets van die van andere scholen. Waren wij het dan misschien zelf, die de school een bijzonder karakter gaven?
Wij, de leerlingen. Vormden wij klassen als de Bordewijkse klas 5C, de helleklas met gedrochten van jongens en gruwelmeiden? Klassen vol pestkoppen, raddraaiers en addergebroed? Blonken wij uit in hinderlijk en liederlijk gedrag op de rand van de criminaliteit? Hebben wij leraren ontvoerd of afgeperst of hun vrouwen bedreigd?

Ik geloof het niet. Wij waren gewoon aardige jongelui, redelijk intelligent en redelijk oppassend, en dyslexie en ADHD waren nog niet uitgevonden. Dus daar konden wij nog niet aan lijden. We deden mee aan al die buitenschoolse activiteiten en aan interscolaire toernooien en manifestaties. De meesten van ons gingen braaf over, al of niet na een herexamen en deden op tijd eindexamen. Er werd zelden iemand van school getrapt wegens wangedrag. Niemand leed aan toevallen of hoorde stemmen of liep met zelfmoordplannen rond, bij mijn weten althans.
En voor zover mij bekend zijn we allemaal ook wel aardig terecht gekomen, zonder grote uitschieters overigens. Nobelprijswinnaars bevinden zich niet onder ons, noch de opvolgers van WF Hermans, Karel Appel of Miles Davis. Nooit heeft een Vondeliaan het Song¬festival gewonnen of een Gouden Beer, de Librisliteratuurprijs of het Hoogoven schaaktoernooi. Niemand van ons heeft een commerciële omroep opgericht, het Google-imperium gesticht, de inrichting van het Museumplein ontworpen (gelukkig maar), de mobiele telefonie uitgevonden of het Vreemdelingenbeleid vormgegeven (eveneens gelukkig maar). Een heel normale leerlingpopulatie, de een wat kleurrijker dan de ander, maar in geen enkel opzicht extreem.

Ik kan niet anders dan concluderen dat van 1957 tot 1963 het Vondel een heel gewone school was. Van wat er daarna gebeurde, heb ik geen weet. Er zijn voor mij eigenlijk helemaal geen gronden voor het idee dat het Vondel een bijzondere school was.

Toch is dat gevoel er en dat gevoel wil ik u ook helemaal niet afpakken, integendeel, het moet gekoesterd worden. Waar u het aan ontleent, moet u zelf bepalen. Gevoelens hoeven niet te sporen met de realiteit om hun heilzame of onheilzame werking te kunnen verrichten. Bovendien is dit mijn verhaal, het verhaal van een ooggetuige uit een bepaalde tijd. En zoals u weet zijn ooggetuigenverklaringen bijzonder onbetrouwbaar.

Was de school dan niet bijzonder of speciaal, hij was er wel speciaal voor ons, de generatie van '57. Misschien zelfs wel speciaal voor mij. Hij werd voor ons opgericht en toen wij er niet meer waren, niet lang daarna weer opgeheven. Dat geeft mij toch het gevoel dat het een bijzondere school was.

Ik dank u voor uw aandacht.

Katharina Kouwenhoven

15 september 2007

1 opmerking:

Robert zei

You are wong about the absence of Nobel Prize laureates who were educated at the Vondel Gymnasium. I only attended the school from 1957 to May 1959 when my parents and I moved to the United States. The 1981 Nobel Peace Prize was awarded to the Office of the United Nations High Commissioner for Refugees, mainly because of its role in the Vietnamese boat people crisis. I have my personally deicated copy on the wall at home in Bethesda, Maryland.

Robert Van Leeuwen
robertjanvl@gmail.com