maandag 11 november 2013

Eddy spreekt


[Tekst van de toespraak van Ed de Moor op de reünie op 9 november 2013]



Waarde Vondelianen, lieve Attie, lieve mevrouw Vink.
Lieve en stoute kinderen van weleer.

Wij zongen net het schoollied: Vivat HOC Gymnasium. Het klopt, dit school-gebouw was echt een hok.








In het eerste jaar, 1957, zaten we nog in een echt gebouw: de tweede vijfjarige hbs aan het Roelof Hartplein. Die school werd toen omgedoopt tot Spinozalyceum. Thans huist daar het prestigieuze College Hotel.
1957 Roelof Hartplein
Het echte Vondel was eigenlijk een kampement van hokken. Het krikkemikkige middengebouw was nog van voor de oorlog en eens het gymnastieklokaal van de vierde vijfjarige hbs. In onze tijd hadden we daar het teken- en het muzieklokaal, de lerarenkamer en de rectorskamer.



Frans Boom maakte deze plattegrond. Hij is het ijzeren geheugen en organiserende kracht van onze reünistenclub. Zonder OOM JOOST hadden we hier niet bij elkaar gezeten. In 2003 schreef hij een prachtig stuk in Ons Amsterdam. Op de middelste foto herken ik ondermeer Ab Lohuis en Rob de Vries, geweldige jongens die ons al ontvallen zijn.





Van Ostadestraat

Frans Boom’s verhaal gaat niet verder dan 1968, maar er volgden nog enige roerige jaren voor het Vondel samen met het Barlaeus in onder meer de Van Ostadestraat.

Het instituut Gymnasium bloeit als nooit tevoren. Alleen in Amsterdam tellen we al zes gymnasia. Toch laait af en toe de discussie over nut en waarde van een klassieke opleiding weer op. Nog onlangs pleitte de psycholoog Han van der Maas in Het Parool voor afschaffing van de oude talen en die te vervangen door programmeertalen.


Even daarna een stuk van de classicus Anton van Hooff in NRC, die het oude Bildungs-ideaal weer oprakelde. Bij de vorige reünie heeft Albrecht Kwast dat argument in een leerzame voordracht ook nog eens uit de doeken gedaan.

Toch was ik wel verrast toen ik nog niet zo lang geleden het volgende meemaakte. Een Barlaeus-meisje dat net eindexamen had gedaan, had nog nooit de spreuk boven de oorspronkelijk ingang van de school opgemerkt: Disciplina vitae scipio. Ook had zij geen idee wat deze spreuk betekende. En dat terwijl ze een 10 voor Latijn had behaald.

Ook onze eeuwige Hans van den Bergh was voor een persoonlijke en doorvoelde culturele vorming. In het laatste nummer van Verselolque van 1968 beschreef hij de ideale Vondeling immers als volgt:

Hij leert nooit iets voor het fraaie cijfer (…) want hij weet maar al te goed dat cijfers er uitsluitend zijn om zijn ouders zo nu en dan van de stand zijner vorderingen op de hoogte te stellen. (…) Het komt niet bij hem op de docent te beschouwen als een gematigd vijandige ordecommissaris, maar hij beseft dat de goede man op een doodenkel punt iets meer weet en gaarne bereid is van dat surplus, in een stimulerende discussie, iets over te dragen. Hij aarzelt dan ook nooit om leergierige vragen te stellen en het komt niet bij hem op, anderen als strebers te bespotten, wanneer deze hun problemen aan de leraar voorleggen. Want hij weet dat het voor een wetenschappelijke instelling belangrijker is goede vragen te stellen dan de antwoorden te weten.

Ik ga jullie nu kort, maar op een wetenschappelijke manier uitleggen wat een school eigenlijk is, in het bijzonder hoe het Vondel was. Een school bestaat uit een aantal klassen. Een klas is een verzameling leerlingen. Tussen die leerlingen heerst een relatie, die ik hier heb aangeduid met ‘heeft iets met’. Die relatie hoeft niet altijd symmetrisch te zijn. Zo ontstaan er in een klas kliekjes, een peergroup zeggen de psychologen. Zo’n peergroup is heel belangrijk voor de ontwikkeling van een puber/ adolescent. Ik weet dat uit eigen ervaring, wel lang geleden. Je hebt ook eenlingen. Naarmate het netwerk in de groep hechter is wordt de samenhang groter. Er kan een positieve of een negatieve samenhang zijn, wat de sfeer van de klas bepaalt. Dat kan soms van één persoon afhangen.

Het Vondel- ‘sociogram’ zag er in 1958 als volgt uit: vier klassen, elk met zijn eigen sfeer. Tussen de klassen waren natuurlijk ook relatiepijlen maar die waren van een andere aard en minder sterk. Verticaal betekenden zulke pijlen nog minder. Ook binnen de groep van leraren was een netwerk van relatiepijlen te tekenen. En ook daar waren kliekjes. Er was één stip die machtige pijlen uitzond: de rector. De punt met de letter s is Attie van Paassen, de toegewijde secretaresse van alle jaren. Dan hadden we nog de verzameling C, die op zich stond, maar met wie je goede maatjes moest zijn; de claviger. ‘Een heel gewone school’ zei Katharina Kouwenhoven 6 jaar geleden. En dat was ie ook, zeker wat het onderwijssysteem betrof.


Maar toen gebeurde er iets in 1963. Klaas komt, hij schreef K op reclames voor rookwaren, hij verrijkte de Nederlandse taal met het begrip Gnot, hij maakte dansjes rond het Lieverdje,…. de jaren ’60 braken los. Rober Jasper Grootveld waarschuwde zichzelf en de samenleving voor de gevaren van verslaving en consumentisme. En dat geldt nog steeds vind ik. In 2009 heb ik zijn surrealistische begrafenis bijgewoond.



Freek de Jonge verwoordde de betekenis van deze kunstenaar als volgt:

Dat de 20-ste eeuw niet aan dit land voorbij is gegaan is te danken aan één persoon.

De plotselinge maatschappelijke omslag in denken en doen ging het Vondel niet voorbij. Helaas ben ik de Provokrantjes, die ik van Hessel Boerboom kreeg of kocht, kwijt. Wij hadden opeens een leidende figuur van de kritische leraren in ons team: Anton Oskamp. Het was een tijd van VERWARRING, maar ook van VERBEELDING. Het laatste –die verbeelding- mis ik tegenwoordig zeer. Al met al was het Vondel van ’68 echt een andere school dan die van ’58.


Wie nog eens wil reflecteren op die tijd wijs ik op de interessante studies van Hans Righart en James Kennedy.




Nu iets meer persoonlijks. Ik deed in 1951 eindexamen op het Barlaeus. Hier zien jullie een foto van een eindexamen feestje, waar Hans van den Bergh en ik beiden opstaan.

Vijf jaar later waren wij beiden weer terug op die school, maar nu als leraar. Op deze foto zien jullie het toenmalige docentencorps met vele bekende namen. Het was Van Paassen’s laatste jaar als rector van het Barlaeus. De beste leraar die ik ooit meemaakte was dr Koenraads, mijn leraar Duits, de vader van Vondeliane Els Koenraads. Hij zit hier vooraan. Helaas is hij jong overleden. Johan Vink is de enige die geen das draagt. Ik zelf sta naast Bert Elderenbosch.

Twee jaar later ging ik naar het Vondel. Op deze klassenfoto proef ik nog de sfeer van de jaren ’50. Met Frank Linnert heb ik geprobeerd de namen terug te vinden. Wim Rayer was een drukke jongen, hij is ons al ontvallen.

Dat ikzelf ook een beetje jaren ’60 werd zie je op deze foto uit 1962, die ik als Nieuwjaarskaart naar mijn moeder stuurde. Maar ook naar Johan Vink.
Met hem en Coos was – en ben - ik goed bevriend. Op deze tekening, die Johan voor mij maakte, zie je dat verbeeld. Hier zijn wij samen in 1863 als KNIL militairen op Bali.

Maar Johan is niet meer, Hans is niet meer, Sander van der Kerke en vele andere Vondelianen zijn niet meer. Ik kan ze niet allen noemen, maar ik wil ze kort gedenken met dit gedicht van Jan Wolkers:
Men tilt een blad op en daar staat geschreven
In taal die slechts de wormen is gegeven
Dood, dood en nog eens dood en even leven.
Rieks Hogenkamp en anderen zijn twee jaar geleden bij de afscheidsbijeenkomst van Hans van den Bergh op de veelzijdigheid van deze markante man ingegaan. Geertje Wolf heeft een In Memoriam over hem geschreven in de Verselolque die jullie dadelijk krijgen. Het doet mij goed dat ik Reneetje af en toe spreek en vooral dat ze hier ook gekomen is.

Het is gewoon een groot geluk dat wij dit mogen meemaken. Het toeval heeft daar ook de hand in. Zo kwam ik Kees Hulst tegen, zag hem optreden en begreep waarom hij de Louis d’Or verdiende.


Later kreeg ik een brief van hem, waaruit bleek dat ie net als ik gek is op de oude gulden postzegels, die sinds 1 november niet meer gelden. Die plakkers werden mij altijd voor een zacht prijsje bezorgd door Daniël Schöngut. Gezellige aanloop.

Op de brug bij het Rijksmuseum -ik was op de fiets- tikte René Windig mij onlangs aan en gaf mij zomaar deel 3 van zijn reeks stripboeken, die hij samen met Eddie de Jong maakte. In dat boek kun je nog heel wat vinden over het Vondel, kopen dus!

Met Luberta Werkman, die zegt dat ik haar gematst zou hebben op het eindexamen, mail ik vaak. Zij stuurt me schitterende verhalen, onder meer over de rechtbank waar ze werkt. En van de boeken van de wetenschapshistorici Chunglin Kwa en Bastiaan Willink heb ik veel opgestoken.


Sorry mensen, ik kan niet iedereen noemen. Ik sluit deze opsomming, die in mijn gedachten vele malen langer is, af met twee initiatiefnemers en organistoren van deze avond: Alfred Gouw en Wim Ris. Beiden zijn ze al gepensioneerde wiskundeleraren. Tenminste één keer per jaar gaan we samen eten en dan maken we nog wel eens een sommetje. (Tussen twee haakjes: Ik heb voor jullie nog een stukje over het getal π meegebracht. Ook dat krijg je dadelijk.) De meeste gesprekken met Wim en Alfred gaan echter over het Vondel, waarbij mij dan wel eens verhalen ter ore komen, waarvan ik denk dat het maar goed is dat ik ze toen niet geweten heb. Zo wordt de doos met herinneringen voller en voller.

Ik fiets veel door Amsterdam, vaak kom ik langs het Okura hotel, dan stop ik even, doe ik mijn ogen dicht, denk aan die tien mooie jaren en zie dat oude hok, nu met graffiti van een tekst van Charles Trenet. Het zijn de beginregels van het refrein van een liedje dat Hans vast met jullie heeft gezongen:

Que reste-t-il de nos amours,

Que reste-t-il de ces beaux jours,


Une photo, vieille photo, de ma jeunesse

Daar zullen we het mee moeten doen!


Eddy de Moor

1 opmerking:

Fleur Schopman zei

Eddy als historicus - dat is wat je krijgt als oude vrienden : kruisbestuiving (zou er ook een mathematische kant in Vink geslopen zijn?) - met een perspectivische en dichterlijke presentatie!
Uniek en indrukwekkend na al die jaren zònder Vondel ... maar dat is een denkfout: echt zònder Vondel zijn oud-Vondelinen nooit meer.
Veel dank hiervoor
Fleur (jaargang 1965)